advies

Hoe plant ik een boom?

Het maken van een plantgat

Controleer eerst of de grond geschikt is om bomen in te planten. Zo niet zorg dan voor goede plantplaats verbetering. Een goed begin is het halve werk.

Een goed plantgat is cruciaal voor de goede plaatsing van een boom. Dit begint bij het uitgraven van de humusrijke bovengrond, tot ongeveer 30cm diep. Houd deze bovengrond apart naast het gat.

Graaf hierna ongeveer 35 cm diep in de ondergrond en houd ook deze ondergrond apart naast het gat (hoe groter de kluit, hoe dieper het gat). Spit nu tot ongeveer een steek diepte de bodem van het gat luchtig los. En stort de apart gehouden ondergrond terug. Deze ondergrond wordt laag voor laag met de voet aangetreden.

Hierop plaatst u de boom. Maar let op: de natuur bepaalt hoe diep een jonge boom geplant dient te worden. Vervolgens wordt de bovengrond laag voor laag op de wortels of kluit aangedrukt met de voet om verzakking van de boom te voorkomen.

Het planten

Bomen die uit zaad worden vermeerderd hebben een natuurlijke richtlijn. Deze bomen worden niet dieper geplant dan ze in de kwekerij geweekt zijn. Dit wordt gecontroleerd door een rechte stok dwars over het plantgat en de wortels te leggen.Bomen met kluit moeten 5 cm hoger geplant worden dan deze in de kwekerij hebben gestaan. Wilgen en populieren worden juist dieper geplant zodat een nieuwe wortelkrans kan ontstaan.

Udenhoutse kluit

Bepaalde soorten en maten worden door Boomkwekerij Udenhout geleverd in een draadkluit. Deze ‘Udenhoutse Kluit’ bestaat uit ongeprepareerd jute en een korf van onverzinkt gegloeid vlechtdraad. Deze natuurlijke materialen vergaan geleidelijk in de bodem. Een boom met draadkluit dient met de gehele draadkluit op de eerder beschreven hoogte te worden geplant. Alleen de bovenkant rond de stam wordt losgemaakt en iets teruggebogen. De knopen in het jute worden losgemaakt en het jute wordt uitgespreid. De draadkluit houdt het jonge wortelgestel van de boom volledig intact waardoor deze bomen beter aanslaan en sneller groeien.

Van levensbelang

Lucht is van levensbelang voor boomwortels. Doordat de bodem veelal direct wordt bestraat, en hiermee dus bedekt, wordt de aanvoer van lucht bijna onmogelijk. Om toch lucht toe te laten in het plantgat worden flexibele beluchtingsdrains annex gietdrains aangelegd. Een buis wordt met een uiteinde in het plantgat gelegd en in een cirkel rondom de kluit gelegd, met het andere uiteinde aan het oppervlak. Het uiteinde wordt aan de boompaal bevestigd of komt in een verticale kunstofbuis welke is afgedekt met een beluchtingstegel. De drains zorgen voor voldoende luchttoevoer en bieden ook de mogelijkheid de wortels te voorzien van extra water wanneer dit nodig is.

Boompalen

Afhankelijk van het formaat van een boom worden één tot drie boompalen geplaatst. De ideale constructie bestaat uit drie boompalen welke vlak onder de boombanden door drie dwarslatten met elkaar worden verbonden. Hierdoor heeft een boom vrijwel geen speling en kan de jonge wortelpruik zich goed ontwikkelen.

Afwerken van de boomspiegel

Overtollige grond wordt na het planten als een dijk van ongeveer 10 cm rondom de boom geplaatst. Dit noemen we de gietrand. Deze gietrand dient minstens tweemaal zo breed te zijn als de wortelkluit, waardoor het van de boom afdruppende water binnen het bereik van de wortels blijft. Direct na het planten en vooral in de maanden april en mei, moet de jonge boom regelmatig bewaterd worden. Dit bevordert de groei van de wortels en de verankering van de boom.